Diezelfde week sprak ik met mijn zoon over AI. Voor zijn generatie – hij is 21 – lijkt het gebruik ervan bijna vanzelfsprekend. Hij vertelde enthousiast over AI-assistenten die zelfstandig berichten kunnen sturen naar potentiële opdrachtgevers.
Terwijl hij vertelde, dacht ik: ja, het kan. Maar moeten we alles wat kan ook willen?
Want wie kent ze niet: automatisch gegenereerde berichten van mensen die je nog nooit hebt ontmoet, maar die schrijven alsof jullie al jaren goede bekenden zijn? Reageer je niet, dan volgt vaak een tweede bericht. En daarna, heel attent, een derde. De persoonlijke benadering blijkt volledig geautomatiseerd.
Het zette me aan het denken over mijn eigen werk. Bij The Food Office houden we ons bezig met strategie- en conceptontwikkeling, Europese aanbestedingen, implementaties en het verbeteren van dienstverlening rond eten en drinken in werk-, leer- en zorgomgevingen. Hoeveel van dat werk wordt over een paar jaar door AI gedaan Waarschijnlijk behoorlijk veel.
Ik geloof dat grote delen van ons huidige werk straks door technologie ondersteund of zelfs grotendeels uitgevoerd kunnen worden. Het schrijven van onderdelen van een Europese aanbesteding, het analyseren van data, het vergelijken van offertes en het maken van rapportages: AI gaat ons daar veel werk uit handen nemen.
Het zou naïef zijn om te denken dat ons werk hetzelfde blijft. Daarom stel ik mezelf een ongemakkelijke, maar interessante vraag: als AI straks een deel van het werk kan doen waarvoor opdrachtgevers mij vandaag betalen, waar voeg ik dan nog waarde toe?
Als AI straks een deel van het werk kan doen waarvoor ik betaald word, waar voeg ik dan nog waarde toe?”
Voor mij zit die waarde steeds minder in het produceren van documenten of analyses. Dat zijn middelen, geen doelen. De echte meerwaarde ontstaat ergens anders.
In goed luisteren en doorvragen.
In begrijpen wat er werkelijk speelt binnen een organisatie.
In het verbinden van verschillende belangen. In het ontwikkelen van een strategie of concept dat niet alleen op papier klopt, maar ook in de praktijk werkt.
Want soms is een oplossing technisch of inhoudelijk perfect, maar sluit die toch niet aan bij de mensen die ermee moeten werken.
Ook creativiteit zal steeds meer door AI worden ondersteund. Ideeën genereren, varianten maken en informatie combineren: technologie wordt daar steeds beter in. Maar de laatste nuances, de keuzes en de betekenis achter een idee worden wat mij betreft nog steeds door mensen bepaald.
Ik heb ooit geleerd: bedrijven doen geen zaken met bedrijven. Mensen doen zaken met mensen. Hoe technologisch onze wereld ook wordt, ik ervaar nog iedere dag hoe belangrijk die persoonlijke relatie is. Misschien moeten we dat menselijke zintuig daarom niet minder ontwikkelen, maar juist meer.
Misschien moeten we het menselijke zintuig niet minder ontwikkelen, maar juist meer”
Ook in facility management kunnen technologie, data en AI ons vak slimmer en efficiënter maken. Ze kunnen helpen om betere beslissingen te nemen en dienstverlening verder te verbeteren. Maar uiteindelijk draait het om omgevingen en voorzieningen die werken voor mensen.
Dus ja, ik omarm AI. Ik zal wel moeten. En waarschijnlijk blijf ik me af en toe afvragen of ik niet alweer drie ontwikkelingen achterloop. Maar misschien is de belangrijkste vraag niet of ik alle ontwikkelingen rond AI kan bijhouden. Misschien moet ik mezelf vaker een andere vraag stellen:
Als kennis, data en zelfs creativiteit steeds gemakkelijker beschikbaar worden, wat is dan over tien jaar nog écht vakmanschap?






